Achtergrondinformatie | Brandweer Hoorn

Blusemmertje

Leren blusemmertje.
Foto L. Bruins

Brandbestrijding in periode voor 1690

Tot 1500 waren in Hoorn hoofdzakelijk regels om een brand te voorkomen. Na 1528 werden enkele maatregelen in het kader van brandbestrijding genomen. Zo was het verplicht om in elk huis een brandemmer te hebben. Ook werd de functie van emmermeester in het leven geroepen om emmers te controleren en na een brand weer terug te brengen naar de eigenaars. Daarnaast moest elk huis een korte ladder hebben en per buurt moest er een lange brandladder met haken zijn.

In 1654 werden de voorschriften wat betreft de organisatie uitgebreid en werd in elk van de toen eenentwintig wijken van de stad een brandvoogd belast met het toezicht op de aanwezigheid en het onderhoud van het voorgeschreven materiaal.

Brandspuithuisje

Brandspuithuisje B, Grote Oost 62 Hoorn. Bouwjaar 1860.
Foto anno 2012, Rijksmonumenten.

Slangbrandspuit

In 1672 werd de slangbrandspuit uitgevonden door de Amsterdamse tekenaar en schilder Jan van der Heyden. In 1690 kocht het stadsbestuur van Hoorn vier van zulke spuiten aan. De spuiten werden ondergebracht op vier bergplaatsen, aangeduid met A, B, C en D, verspreid door de stad:
  • Spuit A stond bij de stadsfabriek aan de Vest en werd bediend door de daar werkzame personen.
  • Spuit B stond in een bergplaats achter het stadhuis en werd bemand door de stadsbedienden en personen met een semi-overheidstaak, zoals bier- en korendragers, zout- en zaadmeters en varkensschouwers.
  • Spuit C stond aan het Hoofd en werd bediend door de in gilden verenigde ambachtslieden.
  • Spuit D stond in een bergplaats naast de Noorderkerk en werd eveneens bediend door de gilden, samen met de doopsgezinden.

In geval van nood mochten naast de vier eigen spuiten ook de spuiten van de Oost-Indische Compagnie gebruikt worden ten behoeve van de stad.

Slangbrandspuit 1720

Instructie over het gebruik van de slangbrandspuiten, ca. 1720 - brandspuitenboek van Jan van der Heyden.

Nieuwe regels bij ingebruikneming slangbrandspuiten

  • Het aantal brandemmers in elke wijk mocht met een derde worden verminderd.
  • Alle spuitgasten waren verzekerd voor de kosten van tijdens brand opgelopen verwondingen en eventueel arbeidsverzuim.
  • De spuitgasten waren verplicht om gedurende vier jaar dienst te doen.
  • Op absentie bij een brand van een bij de spuiten C en D aangesteld persoon stond een boete; bij absentie zonder geldige reden van een bij A en B aangestelde persoon verloor deze zijn overheidsbetrekking.
  • Enige financiële beloning in de vorm van premies, die de stad verhaalde op de bewoners van het pand waarin de brand was ontstaan.
  • Het bevel tijdens de brand berustte bij de bestuurders: de brandmeesters moesten de bevelen opvolgen van de bij de brand aanwezige burgemeester en vroedschappen. In 1733 kwam het bevel bij de brandmeesters te rusten.

Verandering brandwezen met komst van de Fransen

In 1795 trokken de Fransen de Nederlanden binnen en namen de patriotten de macht van de burgemeesters over in de steden. Na een burgerraadpleging kwam er een nieuw reglement op de schutterij en het brandwezen. Voor deze verplichte dienst kwamen alle mannen van zestien tot zestig jaar in aanmerking met uitzondering van bijvoorbeeld geestelijken, gemeenteraadsleden en lichamelijk ongeschikten. Omdat men de schutterij - bestaande uit vier compagnieën van samen ongeveer zeshonderd man - belangrijker vond dan de brandweer, hadden de officieren de eerste keus uit de door wijkmeesters opgestelde naamlijsten. Uit de resterende personen koos de Brandraad - het bestuurscollege van het brandwezen - het brandweerpersoneel. Hierbij genoten mannen die een handwerk beoefenden en geen last hadden van hoogtevrees de voorkeur.
Persbericht Brandweer

Hoornsche Courant, 19-07-1911.

Verdeling bevel en bemanning spuiten

Het nieuwe reglement legde het opperbevel over de spuiten bij de brandmeester-generaal van de Brandraad. Het bevel over elk van de vier eigen spuiten was belegd bij twee kwartiermeesters (leden van de Brandraad). Ook de honderdveertig manschappen waren volgens een vast schema verdeeld: voor elke spuit twee groepen, zogenaamde kwartieren.

Tijdens het bluswerk losten de kwartieren elkaar regelmatig af. De kwartiermeesters riepen daarbij de namen van de manschappen af zodat ze onmiddellijk eventuele absentie konden constateren. Was er brand buiten de stad dan mocht slechts één spuit assistentie verlenen. Er werd wel een spuit in gereedheid gehouden aan de dichtstbijzijnde stadspoort, voor het geval de brand onbeheersbaar zou blijken. De resterende twee spuiten bleven te allen tijde in de stad.

Extincteur

In 1869 schafte de gemeente Hoorn een zogenaamde extincteur aan, een blusapparaat waarbij door toevoegen van chemicaliën aan het bluswater zich in het gesloten systeem koolzuurgas ontwikkelde. De uitstoot van het bluswater vond vervolgens plaats onder de druk van de samengeperste gassen. De extincteur had als nadelen dat tijdens het spuiten geen water kon worden toegevoegd en dat de druk afnam als het apparaat een tijd niet gebruikt was. Ondanks de nadelen kocht de gemeente Hoorn een tweede extincteur aan, met name omdat voor de bediening van deze apparatuur minder mankracht nodig was dan voor de tot dan toe gehanteerde blussystemen. De twee apparaten vonden een plaats in het gemeentehuis en het politiebureau.

Vrijwillige brandweer

Door een nationale verordening in 1920 kwam er een einde aan het fenomeen van dienstplichtigen bij de brandweer. Ruim voor die tijd, namelijk na het midden van de negentiende eeuw, waren in Nederland al her en der vrijwillige brandweerkorpsen ontstaan, zo ook in Hoorn. Rond 1920 deed de motorspuit zijn intrede en had Hoorn nog hoogstens zestig manschappen nodig.

Koolzuurspuit 1909

Brandweer koolzuurspuit, anno 1909.

Brandweerwagen 1930

Hoornse brandweerauto omstreeks 1930.
(Archief brandweer, inv.nr. 138)